Van welvaartsstaat naar neoliberale dominantie naar ….?

Door: Lou Keune

Een nieuw elan

1945, de Tweede Wereldoorlog voorbij, wat nu? Aanpakken was de boodschap. Ik herinner mij die tijd nog goed. Er was een blije en optimistische sfeer. Net alsof die oorlog veel energie had doen opstapelen bij heel veel mensen en dat die er nu uitkwam. Ik heb zoiets in latere jaren meer mogen meemaken. In Colombia begin jaren zestig van de vorige eeuw, in Nicaragua rond 1980, en in El Salvador begin jaren negentig, al die keren na een gruwelijke burgeroorlog. Dat waren ook steeds jaren van groot optimisme en daadkracht. Steeds weer herkende ik dat gevoel dat ik in 1945 bij ons thuis en in Nederland ervoer.

Een nieuwe tijd was aangebroken. Niet alleen in Nederland, in heel Europa. Het waren de jaren van ‘Nooit meer Auschwitz’. De jaren van Jean Monet en Robert Schuman en Konrad Adenauer en hun inspirerende boodschap van een Verenigd Europa waarbinnen de aartsvijanden Duitsland en Frankrijk elkaar blijvend verzoenden. De jaren van de oprichting van de Verenigde Naties met een inspirerend Handvest en een alom geprezen Universele Verklaring van de Rechten van de Mens. De jaren ook van grote bewegingen van onafhankelijkheid in Azië en Afrika. Die strijd ging dikwijls met gruwelijke oorlogen gepaard, zie Algerije, denk aan Vietnam, vergeet niet de ‘politionele acties’ van Nederland in Indonesië. Het waren ook de jaren van de Koude Oorlog, de oprichting van de NAVO en het Sovjet pact, en nieuwe golven van bewapening. Nieuwe bedreigingen, maar toch, zeker ook jaren van nieuw elan.

Andere economie

En natuurlijk de vraag wat voor soort economie nodig was om dat elan vorm te geven en te kunnen werken aan zowel wederopbouw als ontwikkeling. In nogal wat landen werd gezocht naar en gewerkt aan een nieuwe samenlevingsvorm, een nieuwe economie. In ontwikkelingslanden werden nieuwe visioenen ontplooid. Visioenen waarin een droom van een vredige en rechtvaardige samenleving leidend was, geworteld in de oorspronkelijke kracht en waarden van de tot dan door het kolonialisme ontwortelde naties en volkeren.

lou keuneDenk bijvoorbeeld aan de Arusha declaratie van president Julius Nyerere van Tanzania. Of aan de filosofie van Mahatma Ghandi die gestalte kreeg in geweldloos verzet en een vooruitgangspad waarin de ontwikkeling van de lokale gemeenschappen centraal stond. Later werd door de leiders van de Congrespartij waaronder Jawaharlal Nehru en zijn dochter Indira Ghandi het systeem van vijf-jaren plannen ontwikkeld waarbij de staat een leidende rol kreeg in het beoogde ontwikkelingsproces.

Dat nam niet weg dat ook het voormalige Brits Indië waarvan het latere India deel uitmaakte nogal wat golven van geweld kende, bijvoorbeeld bij de splitsing van dat koloniale rijk in India en Pakistan en later ook Bangladesh. Ghandi’s invloed beperkte zich niet tot India. Albert Luthuli, voorzitter van het ANC in Zuid Afrika (en winnaar van de Nobelprijs voor de vrede in 1960) liet vele malen blijken geïnspireerd te zijn door Ghandi.

Brasilia

In China werd een socialistische vorm van economie gezocht en gevonden, meestal aangemerkt als maoïstisch, naar de ‘Grote Roerganger’ Mao Zedong. Dat model was zeer experimenteel en leidde tot grote menselijke drama’s waaronder hongersnoden. In de Sovjet Unie werd ook gezocht naar een socialistische vorm van inrichting van de economie, waarbij strakke planning en nog strakkere overheidscontrole de boventoon hadden. Ook hierbij vielen veel slachtoffers van onderdrukking.

De meeste landen van Latijns Amerika waren in die jaren al meer dan een eeuw staatsrechtelijk onafhankelijk. Dat neemt niet weg dat ook daar op velerlei manieren gezocht werd naar een nieuwe samenleving. Bijvoorbeeld in Brazilië de jaren van het presidentschap van Juscelino Kubitchek (1956-1961) en zijn dromen van een nieuwe samenleving, met als inspirerend beeld de bouw van een geheel nieuwe stad, Brasilia, vorm gegeven door onder anderen de beroemde architect Oscar Niemeyer, een van mijn helden tijdens mijn studententijd. Zie ook de Cubaanse revolutie van 1959.

Wederopbouw en vernieuwing in Nederland

wederopbouwOok in Nederland werd hard gewerkt aan de noodzakelijke wederopbouw en vernieuwing van de economie. Er was een enorme woningnood. Veel infrastructuur was beschadigd of vernietigd door de oorlog, of van inferieure kwaliteit, en moest worden hersteld en vernieuwd. De haven van Rotterdam moest voor een groot deel opnieuw worden ingericht. In Zeeland moest land dat in de oorlog onder water was gezet opnieuw worden bedijkt en drooggemalen. De landbouw was sterk verouderd geraakt en moest vernieuwd.

Het geldstelsel was een rommeltje, wat leidde tot een vergaande monetaire interventie door de regering waaronder ‘het tientje van Lieftinck’. En lonen en prijzen werden met instemming van de meeste vakbonden en de organisaties van ondernemers aan banden gelegd, de zogenoemde ‘geleide politiek’. Er vonden veel vernieuwingen van het sociale stelsel plaats. Van de Duitse bezetters werd de Kinderbijslagwet overgenomen. De garantie van bestaanszekerheid werd verankerd in de Algemene Bijstandswet en in de Algemene Ouderdomswet. Veel vooruitgang werd geboekt met de beloning van de arbeid en de sociale zekerheid.

Opvallend daarbij is, nu terugkijkend, dat toen nauwelijks in termen van bbp en aanverwante begrippen als economisch leidende werd gedacht. Discussies zoals wij die nu kennen over de betekenis van minimale veranderingen in de zogenaamde economische groei (‘in plaats van de verwachte 0,2% groei blijkt die 0,3% te zijn, en dat is een teken van herstel’) speelden niet. Natuurlijk, ook in deze tijden moesten de boeken kloppen en het zicht op het geheel behouden. Dat leidde onder meer tot de oprichting van het Centraal Planbureau, en uitbreiding van het statistisch apparaat van het Centraal Bureau voor de Statistiek. Maar de dwingende rol van maatstaven als het bbp bestond niet.

tientje-lieftinck

Het tientje van Lieftinck (Foto via Catawiki)

Economie van de welvaartsstaat

Het waren in Nederland en Europa, en in veel andere landen in de wereld de jaren van de welvaartstaat. Dat was en bleef een kapitalistisch stelsel. Maar dan wel met een dominerende rol van het streven naar verhoging en verbetering van ‘welvaart, welzijn en geluk’ om een toen in Nederlands katholieke kringen populaire manier van uitdrukken te citeren. Politiek-economisch zou je kunnen zeggen dat het een stelsel was waarbij gedrag en beleid werden geleid door gebruikswaarden: wat waren de gebruiksmogelijkheden van de beschikbare productiekrachten en welke de na te streven doeleinden van menselijk welvaren.

Natuurlijk, geld speelde een belangrijke rol. Maar je zou kunnen zeggen dat het geldbeheer, en de monetaire politiek een ondergeschikte en faciliterende rol vervulden. Een dominantie van het geld als in de huidige gefinancialiseerde tijd was ondenkbaar. De doeleinden van de economische ontwikkeling werden ook op een veel democratischer manier bepaald, ondernemingen speelden een duidelijk meer ondergeschikte rol dan de ‘Masters of Universe’ van tegenwoordig. De overheid vervulde een veel meer leidende rol dan tegenwoordig. Handel was door allerlei regelingen betrekkelijk strikt geleid. Protectionisme was geen vloek maar noodzaak. Samenwerking en zekerheid werden leidende beginselen. En het ‘wij’ stond voorop, niet het ’ik’.

Mengvorm

Natuurlijk, deze typering is ideaaltypisch van aard. Ook de samenleving van de jaren veertig, vijftig en zestig was er een van mengvormen. Zij kende nogal wat elementen vanuit de feodale tijd, zie bijvoorbeeld het ontzag voor en de bepalende rol van ambtsdragers en religieuze leiders. En ook toen al waren ontwikkelingen gaande in de richting van de gemondialiseerde samenleving van tegenwoordig. Denk aan de internationalisering van de handel, met de Europese gemeenschappelijke markt als voor veel landen inspirerend voorbeeld. Zie ook de internationalisering van de ondernemingen, het ontstaan en de groei van wat toen multinationale ondernemingen – MNO’s werden genoemd, tegenwoordig de transnationale corporaties – TNC’s. ‘Zuivere’ of eenduidige samenlevingen bestaan niet en nooit, er is steeds sprake van vermenging waarin verleden en toekomst mede bepalend zijn. Wel is er steeds een dominantie van een bepaald kenmerk. Zoals wij nu het neoliberalisme kennen als dominant, was dat toen de welvaartsstaat.

Grote sprongen voorwaarts

Dat stelsel was zeer succesrijk. Grote sprongen voorwaarts werden geboekt. Bijvoorbeeld de enorme stijging van de levensverwachting en daling van de kindersterfte, de indrukwekkende verhoging en verbetering van het onderwijsniveau, de sterk vergrote voorraad en kwaliteit van woningen, de verregaande modernisering van de fysieke infrastructuren en van landbouw en veeteelt, en de enorme verhoging van inkomens en consumptie.

Dat speelde zich af niet alleen in Nederland en de landen van de Europese Economische Gemeenschap, ook in nogal wat ontwikkelingslanden en in landen geleid door een socialistisch stelsel. En om maar eens een in neoliberale kringen populaire maatstaf te gebruiken, dus de groei van het bbp: Die groei was indrukwekkend met een jaargemiddelde in Nederland van 4,2% in de periode 1950-1960, en 5,3% in de periode 1960-1973. Werkloosheid kwam voor, maar niet met die massaliteit als tegenwoordig.

Begin van het einde van de welvaartsstaat

Vanaf begin jaren zeventig van de vorige eeuw kwamen er flinke scheuren in de dominantie van het model van de welvaartsstaat. Er zijn nu nog vele en prijzenswaardige restanten van die economie. Die zullen ook onderwerp zijn in de campagnes voor de Nederlandse Kamerverkiezingen in 2017. Maar met die dominantie is het afgelopen, nu domineert het neoliberalisme. Hoe kon dat? En hoe nu verder? Daarover een volgende keer.

Voor meer teksten van Lou Keune, zie www.loukeune.nl of www.platformdse.org

Voor het eerste deel van deze column, klik hier

Gerelateerd: