Gold Trail: Richting een monetaire unie (Deel VI)

Vorige week publiceerden we het vijfde van de Gold Trail, waarin we uitlegden waarom de rest van de wereld de dollar bleef ondersteunen na de ontkoppeling van goud. In het zesde deel borduren we op dit thema voort, maar dan vanuit de invalshoek van de olieproducerende landen. Welke afweging maakten zij en welke rol speelde de goudmarkt in deze periode?

Lees ook eerdere delen van de Gold Trail op Marketupdate:

Deel VI: Richting een monetaire unie

FOA (11-03-2000): Op weg naar de Europese Muntunie werd men geconfronteerd met veel politieke problemen. Om een consensus te bereiken voor een gemeenschappelijke Europese munt hadden de ontwerpers tijd nodig, heel veel tijd. Het laatste waar ze behoefte aan hadden was een wereldwijde economische depressie die veroorzaakt zou worden door een falend dollarsysteem. Tussen 1976 en 1982 werden de fundamenten voor een nieuw systeem gelegd. Het was een traag en moeizaam proces, omdat de dollar gedurende deze periode en de jaren die eraan vooraf gingen al de nodige stuiptrekkingen vertoonde. Ze hadden nog minstens tien jaar nodig, maar zonder iets om de dollar aantrekkelijker te maken was zelfs vijf jaar al te lang geweest.

Werken met een grote groep landen vereist een zorgvuldige discussie van alle ideeën in het openbaar. De agenda moest dus iets te bieden hebben voor iedereen. Daar kwam bij dat deze nieuwe munt niet gezien mocht worden als alternatief voor het gebruik van dollars, anders zou de VS zeker geprobeerd hebben verdeeldheid te zaaien in de groep.

Het is belangrijk te begrijpen dat het grootste deel van de wereld tenminste één andere valuta wou zien die een deel van de functie van de dollar kon invullen. Ze hoefde de dollar niet te vervangen. Voor dit doel gaven de meeste landen filosofische en politieke steun voor de creatie van een Europese munt. Echter, om een dollar te kunnen ondersteunen die compleet los was geraakt van enige fysieke dekking was de hulp van een aantal machtige spelers nodig.

Er was een andere groep landen die bijzonder geïnteresseerd was naar hoe deze nieuwe munt eruit zou komen te zien, namelijk de olieproducerende en exporterende landen. Voor 1971 zaten ze goed, omdat ze hun olie verkochten in door goud gedekte dollars. Ook al wisten de olieproducerende landen toen nog niet hoeveel hun product werkelijk waard was… De waarde van goud liep immers gelijk op met de waarde die gecreëerd kon worden in de moderne [en meer productieve] economie. Beter gezegd: als olie meer productiviteit opleverde voor de economie, dan zou die extra productiviteit weerspiegeld worden in een stabiele waarde van goud. Maar na 1976 kreeg men door dat de olie verkocht werd voor dollars met een onbekende toekomstige waarde. Met de economische ontwikkelingen die zich toen ontvouwden zagen de olieproducerende landen hetzelfde als wij.

Uit mijn eerdere artikel:

“Voordat de Verenigde Staten in 1971 de goudstandaard loslieten expandeerde onze complete economische structuur, omdat we profiteerden van de gigantische hefboomwerking van goedkope olie. In die tijd verbeterde olie letterlijk onze levensstijl, omdat de prijs van olie in dollars zo ongelooflijk laag was in verhouding tot wat er door de wetenschap mogelijk werd gemaakt met olie. Moderne technieken maakte olie zoveel waardevoller dan de prijs die we ervoor betaalden, dat we onze schulden tot ver in de toekomst konden extrapoleren en onze geldhoeveelheden konden laten toenemen.

De stijgende productiviteit die mogelijk werd door de zeer goedkope olie zorgde ervoor dat het allemaal uit kon. In feite baseerde de VS haar economie en de waarde van haar geld op de toekomstige waarde van de stroom van olie, niet die van goud.”

Na 1976 sprongen olieproducerende landen weer op goud, maar ze kwamen er al spoedig achter hun overtollige instroom van dollars nog niet eens gedeeltelijk in goud omgezet kon worden, omdat het goud verhandeld werd in een nieuwe grondstoffen arena. Voor deze landen was goud kopen niet zomaar een belegging, maar de betaling voor olie in de vorm van een waardereserve die wereldwijd erkend werd. Oliebezittingen voor goudbezittingen! Als centrale banken in deze periode geen goud verkocht hadden, dan was de goudprijs alleen door de vraag van olie-exporterende landen omhoog geschoten. De olieproducerende landen en de rest van de wereld kwamen hierdoor tot de ontdekking dat er een wereld van verschil was tussen het omruilen van goud dollars voor fysiek goud bij de centrale bank en het kopen van goud als zijnde een grondstof in de grondstoffen arena. In werkelijkheid was de goudmarkt alleen een vrije markt voor grondstoffenhandel. Het mocht nooit verhandeld werden als zijnde een ‘waardereserve’.

De opties waren beperkt. Men kon rechtstreeks fysiek goud kopen, met als resultaat dat de prijs ver voorbij haar ‘geld voor olie’ waarde zou stijgen . Of men kon goud onderdeel laten uitmaken van een mandje van valuta als betaling voor olie. Daarmee zou men impliciet het statement maken: “los dit valuta probleem op of jij bent diegene die het hoog geprijsde goud moet kopen”. Maar de olieproducerende landen kozen een derde optie. Ze gingen door met het verkopen van goud voor dollars die steeds waardelozer werden, wachtend op iets dat het falende dollar reservesysteem zou kunnen vervangen. Dus keken ze toe, terwijl de VS zei haar problemen met de dollar op te zullen lossen en Europa zei aan een alternatief te werken voor de dollar.

Het was duidelijk dat de VS geld bij zou blijven drukken, zo lang ze olie kon kopen voor een prijs die lager was dan de verwachtte opbrengst van die olie. In dat geval zou de Amerikaanse levensstijl immers verbeteren. In dit model zou de dollareconomie uiteindelijk ineenstorten op het moment dat olie in dollars uitgedrukt niet meer goedkoop genoeg was. Als aanvulling daarop: het afrekenen van olie in een mandje van valuta plus goud zou eveneens zijn vastgelopen. Het was op dit punt – tussen 1980 en 1985 – dat zowel de VS als Euroland bewezen hadden dat ze goud stabiel konden houden, indien olie het spel draaiende wist te houden.

Hogere olieprijzen brachten inderdaad meer olieproductie in de Verenigde Staten op gang. Dit deed wonderen in het verlengen van de dollareconomie en de schuldenberg die ermee werd opgebouwd. Vanuit deze positie konden de olieproducerende landen het rechtvaardigen om dollars aan te nemen als betaling voor olie, maar ook niet voor meer dan een decennium. De VS en het Verenigd Koninkrijk waren in die tijd druk bezig om een markt voor goudcontracten op te zetten, een markt die als afleider zou functioneren voor de vraag naar goud. Als dat geld niet meer op fysiek goud zou bieden, dan zou er meer fysiek goud overblijven dat olieproducerende landen konden krijgen in ruil voor de dollars die ze vergaarden met de export van olie.

Toch is hiermee niet het hele verhaal uitgelegd. Het kostte tijd om de Europese Muntunie te bouwen, maar wie zou uiteindelijk al die overtollige dollars moeten dragen die geproduceerd werden door een opbloeiende Amerikaanse economie? In 1986 was de bloeiende Amerikaanse economie het resultaat van de nog steeds goedkope olie. De olie werd aan de VS en aan alle andere landen verkocht voor overgewaardeerde dollars die de wereld overspoelden in een onafgebroken handelstekort.

Uit mijn vorige artikel:

“Deze structuur werkte een aantal jaar in een gebroken patroon. Tegen alle verwachtingen in gingen de prijzen van olie en goud niet omhoog, maar werd iedere stijging gevolgd door een daling. Centrale banken zogen zich vol met dollarreserves en voorkwamen daarmee de hyperinflatie van de dollar. Ze bleven dollars accumuleren, omdat ze wisten dat goud in staat was al het waardeverlies van dollarreserves op te vangen zodra een nieuw systeem in gebruik zou worden genomen.”

In deze nieuwe opstelling (na 1982) werkte de Amerikaanse economie en het dollarsysteem alleen als de olie in dollars goedkoop kon worden geleverd. Het is geen geheim dat goedkope olie gemaakt kan worden door de oliekraan verder open te draaien. Echter, het afrekenen van olie in niet door goud gedekte dollars was een politieke overeenkomst die vroeg of laat gewijzigd zou worden. Het was de steun die buitenlandse centrale banken verleenden aan de dollar die ervoor zorgde dat de wereldreservemunt onder deze omstandigheden kon blijven functioneren. Maar zonder de bonus van een lage goudprijs en in het vooruitzicht een aanzienlijke herwaardering van goud, hadden de olieproducerende landen al veel eerder hun olie afgerekend in een mandje van Europese valuta + goud.

De VS heeft al bewezen dat ze niet te vertrouwen is met welke vorm van goud gedekte valuta dan ook. De meeste grote Europese landen daarentegen hadden nog steeds een goede reputatie ten aanzien van het vertrouwen in goud. Dit is waar we de impact van de olieproducerende landen zagen in de bouw van de Europese Muntunie. Als zij zich aangetrokken voelden tot het nieuwe Eurosysteem, dan zouden ze een andere houding aannemen ten aanzien van goud. Ze zagen de 1976 “Jamaica Akkoorden” en dachten: nu het toch op papier staat, kunnen we goud niet beter aanhouden als ‘waarde reserve’ in plaats van als geld? Zodra goud buiten het monetaire systeem geplaatst is, en een prijs bereikt heeft die hoog genoeg is, dan kan het een wereldreserve worden om olie in af te rekenen, zonder de economie van een land te vernietigen.

Dit waren de vroege gedachten die tot op de dag van vandaag evolueren. Het was de kunst op de goudmarkt functionerend te houden tussen het toen en het nu. Er moest in elk geval wat goud beschikbaar zijn om overtollige dollars in te wisselen, zodat de goudprijs enigszins stabiel blijft en de mijnbouwsector intact blijft om nieuw goud op de markt te brengen. Dat laatste was belangrijk, omdat de BIS wist hoe het dollarregime goud gebruikte om de waarde van de dollar te fixeren. Hun agenda was te combineren met de oprichting van de Europese Muntunie, terwijl de twee machtsblokken twee compleet verschillende agenda’s volgden. Beide machtsblokken [VS en Euroland] wilden de dollar ondersteunen, maar de VS was bereid de goudprijs te laten zakken zo lang ze daarmee goedkope olie veilig stelde. Het was een kortzichtig politiek proces, maar wel één die stemmen opleverde.

De BIS was bereid de goudprijs boven de $280 per troy ounce te houden tot de introductie van de Europese Muntunie. Als ze dat niet had gedaan, dan zou ze de steun van de olieproducerende landen voor het Eurosysteem verloren hebben.  Dat was niet alleen omdat deze prijs nodig was om de grootste goudmijnen in bedrijf te houden, maar ook omdat een olieprijs van $8,75 in goud hun absolute bodemprijs was.

Toen de gebroeders Hunt spraken over “een ounce zilver voor een vat olie” zaten ze dichter bij de waarheid dan ze zelf dachten. Voor 1971 was de laagste olieprijs door producenten vastgesteld op ongeveer 1 gram goud (met een goudprijs van $42,22 per troy ounce was dat ongeveer $1,30). Met een prijs van 1 gram goud per vat olie zou $280 per troy ounce de bodemprijs zijn. Het is niet vreemd dat de werkelijke dollarprijs van een vat olie nooit rond dit niveau is gebleven. In ieder geval was dit de verklaring voor de confrontaties in de zomer van 1999. Hoewel de Europese Muntunie gereed was, was de euro nog te jong om de olie gedeeltelijk in af te rekenen. Toen de goudprijs verder omlaag werd gedrukt door het dollarregime, werd de steun van de olieproducerende landen voor zowel de euro als de dollar onzeker. Het Washington Agreement on Gold loste dat niet alleen op, ook was het een officiële aankondiging naar de rest van de wereld dat er een einde zou komen aan de papieren goudmarkt. Juist, deze overeenkomst maakte de weg vrij voor de komst van olie die in euro’s afgerekend zou gaan worden.

Vandaag de dag zijn we nog steeds op weg naar olie die in euro’s afgerekend wordt. Sinds de introductie van de euro begon de olieprijs te stijgen, zoals we voorspeld hadden. Wat er nog over is van de goudmarkt is een gigantisch papieren derivaat dat langzaam maar zeker haar geloofwaardigheid verliest. De helft van de voormalige steun voor deze papieren goudmarkt, namelijk het Euroland, is weggevallen met de komst van de euro. Op dit moment worden veel van de openstaande goudcontracten omgezet voor afhandeling in euro’s. Het is slechts een kwestie van tijd voordat de illusie van een dalende euro wordt weggespoeld door een crash van de Amerikaanse aandelenmarkt en de dollar.

In het volgende deel praten we meer over de gebeurtenissen die vandaag de dag [in het jaar 2000] plaatsvinden.

FOA/ reisgids van de Gold Trail (Vertaling door Frank Knopers)

Dit artikel verscheen afgelopen vrijdag in de Marketupdate Weekendeditie. Schrijf u hier in en ontvang iedere vrijdag onze nieuwsbrief!