Begin van het einde van dominantie welvaartsstaat

Het economische model van de welvaartsstaat was na 1945 zeer succesrijk met de wederopbouw en ontwikkeling van vele samenlevingen, wereldwijd. En toch kwam er een einde aan deze dominantie van menselijke waarden. Wat lag daaraan ten grondslag? Zoals steeds is ook in deze kwestie sprake van meerdere oorzaken.

‘Kapitalisme’ tegen ‘Communisme’

Van grote invloed zijn de militaire coups geweest die hebben plaatsgevonden in Latijns-Amerika. Vanaf de vestiging van het generaalsregime in Brazilië in 1964 ging het hard, met als meest bekende voorbeelden het Argentinië van Jorge Videla en het Chili van Augusto Pinochet. Maar niet alleen in Latijns-Amerika, bijvoorbeeld ook de generaalscoup in Indonesië in 1965. Bij al deze machtsovernames speelden de Verenigde Staten een belangrijke ondersteunende zo niet instigerende rol. Het neoliberale denken had bij de coupplegers stevig postgevat.

lou keuneDaar komt bij dat zich een harde ideologische strijd had ontwikkeld, wereldwijd, tussen twee maatschappelijk-politieke vertogen: ‘Kapitalisme’ versus ‘Communisme’. Het ging hierbij om sterk vereenvoudigde frames die vanwege hun schijnhelderheid gemakkelijk voor vele doeleinden konden worden gebruikt. Zo werden door het regime van Ronald Reagan volksopstanden die plaatsvonden in Latijns-Amerika als ‘communistisch’ geoormerkt. Deze schijnhelderheid vergemakkelijkte alibi’s om in die landen in te grijpen, met aanwending van veel geweld en de modernste militaire middelen. Zeker na de val van De Muur heerste er een triomfalisme, ook op sociaaleconomisch terrein, de uitdrukking ‘einde van de ideologie’ kwam boven.

Washington Consensus

Die intensieve ideologische strijd manifesteerde zich vanaf de jaren zeventig van de vorige eeuw ook in de belangrijkste mondiale economische organen. Het bekendste voorbeeld is de zogenoemde Washington Consensus, de op een zeker moment duidelijke overeenstemming tussen de Wereldbank, het Internationale Monetaire Fonds en het VS Ministerie van Financiën over de te volgen gedragslijnen bij het treffen van schuldenregelingen in ontwikkelingslanden, het zogenoemde Structureel Aanpassing Programma. Recentelijk is zo’n programma opgelegd aan Griekenland. Overigens, er was alle aanleiding om eens goed te kijken naar de enorme berg van schulden in veel ontwikkelingslanden, monetair was dat niet vol te houden, er moest iets gebeuren.

Maar, om maar weer eens te verwijzen naar Susan George: had dat niet anders gekund? Nu leidde het feitelijke beleid tot grote schades voor mens en milieu in veel ontwikkelingslanden wier externe economische afhankelijkheid alleen maar werd verdiept en verbreed, en waarvan velen zuchten onder uitwassen als belastingontwijking en illicit financial flows, ik heb daar eerder over geschreven.

Vrijhandel

Wat niet mag worden vergeten is dat in al die naoorlogse jaren van dominantie van het model van de welvaartsstaat het neoliberale vertoog op allerlei fora springlevend was. Al snel na het einde van de oorlog namen westerse landen het initiatief tot de oprichting van de General Agreement on Tariffs en Trade (GATT). Dat overleg was bedoeld om vrijhandel te bevorderen. Dat heeft uiteindelijk via diverse tussenrondes geleid tot de huidige World Trade Organization (WTO). En ook tot andere meer regionaal beperkte en bilaterale overlegrondes als de nu lopende vrijhandelsonderhandelingen tussen de Verenigde Staten en Europa onder de aanduiding Transatlantic Trade and Investment Partnership (TTIP). In allerlei onderhandelingen met ontwikkelingslanden werden vergelijkbare afspraken gemaakt waardoor zij nog meer als gedurende de koloniale tijd gedwongen werden om hun economieën te hervormen richting de wereldmarkt, het zogenoemde export-led-economic-growth model.

gatt-wtoDat wil niet zeggen dat op mondiaal niveau geen andere vertogen over de inrichting van de wereldmarkt te horen waren. Ontwikkelingslanden hebben lang hun hoop gezocht in meer op managed trade gerichte organen en afspraken. In 1964 werd de United Nations Conference on Trade and Development (UNCTAD) opgericht. Op die conferenties waren en zijn duidelijke pleidooien te horen om de belangen van ontwikkelingslanden voorrang te geven. Belangrijke voorbeelden van de vormgeving van de managed trade gedachte waren de grondstofakkoorden op gebieden als koffie en cacao.

Inmiddels heeft UNCTAD de strijd met de vrijhandelsorganen als de WTO verloren. Zij bestaat nog wel maar heeft momenteel weinig praktisch belang. Natuurlijk, ook dit had anders gekund. Er was geen dringende noodzaak om het pad van de vrijhandel te volgen. Zoals onder anderen Ha-Joon Chang heeft laten zien is het op zijn minst verdacht dat de westerse landen aan ontwikkelingslanden de vrijhandel opleggen. Want diezelfde nu rijke landen zijn zo welvarend geworden mede dankzij protectionisme. Die inconsequentie kan volgens Chang alleen maar begrepen worden uit oogpunt van prioritering van de belangen van de rijke landen en transnationale ondernemingen: Ontwikkelingslanden als wingebieden voor goedkope grondstoffen, arbeidskracht en fabricaten, groeiende afzetmarkten en profijtelijke investeringen.

Bedrijfsleven doelmatiger?

Al deze ontwikkelingen: militaire coups, triomfalisme over het kapitalisme als grote overwinnaar, Washington Consensus, vrijhandelsakkoorden, hebben bijgedragen tot de dominantie van het neoliberale model. Ook in Nederland. Natuurlijk, er waren in de jaren zeventig en tachtig ook hier duidelijke aanwijzingen dat eens goed gekeken moest worden naar het functioneren van het model van de welvaartsstaat. De zorgen over de snelle groei van de collectieve uitgaven waren terecht.

Daarbij was ook in Nederland een enorm bureaucratisch apparaat gegroeid om de sociale zekerheid en de verzorgingsstaat te doen functioneren. Het ging ook om diverse ontwikkelingen die met misbruik, verstarring en overregulering kunnen worden aangeduid. Maar ja, zijn dan maatregelen als deregulering, vrijhandel, privatisering, en vermarkting van common goods de enige denkbare oplossingen? Had het niet anders gekund? Zo pleitte begin jaren tachtig dr. J.W van der Dussen ervoor om in plaats van dereguleren maar eens te werken aan herreguleren. Privatiseren? Is het particulier bedrijf echt doelmatiger?, vroeg Van der Dussen zich terecht af. Ga eerst maar eens de doelmatigheid van de overheid verbeteren[1].

Met zo’n standpunt werden de problemen van de welvaartsstaat niet weggepoetst maar op een andere manier beleidsmatig benoemd. Deze en andere geluiden dolven het onderspit, zeker in de latere jaren tachtig, die van de val van de Muur en het neoliberaal triomfalisme.

Ideologie en belangen

Soms wordt gedacht dat veranderingen in een maatschappelijk bestel uit de lucht komen vallen, of een soort automatisme vormen waar mensen geen overheersende invloed op hebben: ‘zo gaat de geschiedenis nu eenmaal’. Niets is minder waar. Historische veranderingen zijn resultantes van denken en handelen van mensen. Dat zie je ook bij de opkomst van het neoliberalisme. Daaraan is sinds de Tweede Wereldoorlog hard gewerkt. Door wetenschappelijke instellingen als de fameuze Chicago School of Economics (o.a. nobelprijs winnaar Milton Friedman), leden van deze School, de zogenoemde Chicago Boys, hebben het regime van Augusto Pinochet geadviseerd bij de transitie naar een neoliberaal model. Maar ook door het transnationale bedrijfsleven. Daarbij gaat het uiteraard om een clash van ideologieën maar zeker ook om grote economische belangen. Bijvoorbeeld het belang voor het grootbedrijfsleven (ook wel ‘mega ondernemingen’ genoemd)[3] van een volledig open wereldeconomie die het streven naar maximalisering van winsten vergemakkelijkt.

Natuur en milieu

Overigens, ook op andere gronden waren er duidelijke redenen eens goed te kijken naar het functioneren van de welvaartsstaat. Want die heeft in feite geleid tot de ecocide waar wij ons tegenwoordig flink zorgen over moeten maken. De basis van verschijnselen als overmatige CO2 uitstoot en afname van de biodiversiteit is in die jaren van dominantie van dat model gelegd. Terugkijkend ging het debat in die jaren zeventig en tachtig helaas minder over die aspecten, ondanks het rapport van de Club van Rome. Die problemen worden juist verergerd door de neoliberale aanpak.

Intussen zitten wij met de gebakken peren, dus met een sociaaleconomisch model dat geen echte oplossingen biedt voor de grote maatschappelijke en ecologische vraagstukken van dit moment. Kan dat niet anders? Daarover een volgende keer.

Lou Keune

Voetnoot: Dit is het derde deel van een vierdelige serie ‘Van welvaartsstaat naar neoliberale dominantie’. Eerder verschenen op Marketupdate het eerste deel en het tweede deel. Voor meer teksten van Lou Keune, zie www.loukeune.nl of www.platformdse.org.

  1. In: M.M. Kaag red.: Privatisering en deregulering: Van verzorgingsstaat naar waarborgstaat. Raad voor het Binnenlands Bestuur, SDU 1983
  2. Zie Joost Smiers e.a.: De macht van de mega onderneming, Van Gennep 2016

Gerelateerd: