Amerikaans instituut zet vraagtekens bij officiele inflatiecijfers

De prijsinflatie wordt in Amerika berekend door het Bureau of Labor Statistics (BLS) en wordt in twee verschillende vormen gerapporteerd. Voor consumenten is er een Consumer Price Index (CPI) samengesteld, terwijl er voor bedrijven een soortgelijke PPI wordt bijgehouden. De CPI wordt echter het vaakst genoemd als uitgangspunt en is het cijfer waar verschillende overheidsinstanties en de Federal Reserve naar kijken bij het uitzetten van hun beleid. De CPI moet een weerspiegeling geven van de ontwikkeling van de prijzen van een selectie aan goederen en diensten die een doorsnee consument gebruikt. De manier waarop de CPI berekend wordt is niet altijd hetzelfde geweest, want in 1980 en 1990 werd de methodiek aangepast, met als gevolg dat de CPI nu lager uitvalt.

Consumer Price Index

De oude rekenmethodes kunnen nog steeds worden toegepast op de actuele data en dat is ook precies wat John Williams op zijn website Shadowstats.com doet. Daar zien we dat de officiele CPI sinds 1982 van jaar-op-jaar gemiddeld een procent of drie was, terwijl de traditionele rekenmethode een veel hogere inflatie liet zien die vanaf 2000 gemiddeld tegen de 10% zat. Nou kan er een discussie gevoerd worden of de oude CPI een nauwkeuriger beeld schetst van de prijsontwikkeling dan de huidige CPI, omdat er in de tussentijd wel degelijk veranderingen zijn geweest in het uitgavenpatroon van mensen. Zo zijn er nieuwe kosten bijgekomen voor bijvoorbeeld inteet- en mobiele telefooncontracten en heeft elektronica een veel grotere invloed in ons dagelijkse leven dan in 1980. Deze producten en diensten zijn door de jaren heen steeds goedkoper geworden, maar prijzen van bijvoorbeeld voedsel, onderdak en brandstof zijn juist flink gestegen.

Daarom is het goed om er een derde opinie bij te halen. Die vinden we bij het American Institute for Economic Research, dat een alteatieve Everyday Price Index (EPI) heeft samengesteld om de kwaliteit van de officiële CPI inflatiecijfers te toetsen. De EPI richt zich sterker op de dagelijkse uitgaven, daar waar de CPI ook meer duurzame consumptiegoederen opneemt in de berekening. De economen van dit bureau vroegen een groep willekeurig geselecteerde mensen welke dagelijkse uitgaven ze dagelijks hadden en stelden op basis daarvan een alteatief mandje van goederen en diensten samen. Net als bij de CPI, die berekend wordt door het BLS, paste ook het American Institute for Economic Research een weging toe om verschuivingen in uitgavenpatronen van consumenten te kunnen weerspiegelen.

Alteatieve inflatieberekening: 8% inflatie in 2011

Met deze alteatieve EPI prijsindex, gebaseerd op een mandje van goederen dat ook aan weging onderhevig is, kwam het instituut uit op een gemiddelde jaarlijke inflatie van 8% in 2011, tegenover slechts 3,1% van de CPI over diezelfde periode. De ongewogen EPI kwam iets lager uit, maar was met 7,2% nog altijd meer dan twee keer zo hoog als de officiële prijsinflatie die het BLS rapporteert en die leidend is voor het beleid van de Amerikaanse overheid en in mindere mate dat van de Federal Reserve.

De producten die volgens de EPI berekening veel sneller in prijs stegen waren medicijnen op recept (de prijs daarvan verdrievoudigde sinds 1987), tabakproducten (die sinds 1987 bijna 6x zo duur werden door met name hogere belastingen), kosten voor transport en brandstof en kinderopvang. Maar ook grondstoffen werden sinds 2000 veel duurder, met als gevolg dat ook voeding veel duurder is geworden. De lagere inflatie volgens de CPI berekening komt met name voort uit een arbitraire verdiscontering van betere kwaliteit producten in de prijs. Vooral voor mobiele telefoons, televisies en computers werden de prijzen kunstmatig verlaagd, omdat deze producten steeds beter werden en steeds meer functionaliteit kregen.

Inflatie: 3,1% versus 8% maakt veel verschil

Om nog even terug te komen op het verschil tussen 3,1% en 8% inflatie geven we u het volgende voorbeeld. Bij een jaarlijkse inflatie van 3,1% heeft $100 vandaag over twintig jaar de koopkracht van $53,3. Schroeven we de inflatie op naar 8%, dan zult u misschien schrikken van het resultaat. In diezelfde 20 jaar blijft er met deze hogere inflatie nog maar $18,8 aan koopkracht over van die originele $100.

De twee inflatiecijfers (CPI en EPI) beginnen vanaf 2003 uit elkaar beginnen te lopen (Bron: AIER.org)