Wie betaalt rekening van oplopend handelsconflict?

De laatste ontwikkelingen in het handelsconflict tussen de VS en China wijzen erop dat de spanningen langer zullen aanhouden dan verwacht. De VS hebben onlangs aangekondigd dat zij de importheffingen op $200 miljard invoer uit China verhogen van 10% naar 25% en China heeft hierop gereageerd door de tarieven op $60 miljard invoer uit de VS te verhogen.

De VS hadden China gewaarschuwd om niet op de tariefverhoging te reageren. Het Chinese besluit om tegenmaatregelen te nemen lijkt erop te wijzen dat China de kans op een gunstig resultaat van de handelsbesprekingen klein acht, in ieder geval op korte termijn.

Wat het effect op het bbp betreft verwacht Keith Wade, hoofdeconoom van Schroders, dat dit voor beide landen ongunstig zal uitpakken. Het bbp in de VS en China zal in 2020 in vergelijking met een basisscenario zonder tariefverhogingen lager uitvallen. De gevolgen voor China zullen groter zijn, gezien de grotere afhankelijkheid van de handel. Het bbp van Japan en Europa zal ook een tik krijgen.

Laat Trump het handelsconflict verder escaleren?

Hoewel het er op het eerste gezicht niet op lijkt, verwacht Wade dat president Trump het handelsconflict niet verder laat oplopen door een algemeen tarief van 25% in te stellen. Een uitbreiding van de tarieven zou betekenen dat de prijzen van een breed scala aan consumptiegoederen worden opgedreven, wat zal doorwerken in de Amerikaanse inflatie. Trump heeft altijd gezegd dat “China zal betalen” voor de importheffingen, maar de data wijzen uit dat de bedrijven de hogere kosten doorberekenen aan de Amerikaanse consument.

Wanneer importheffingen voor Chinese goederen worden opgelegd, moeten de Amerikaanse importeurs hogere kosten betalen die zij ofwel in hun marges kunnen absorberen ofwel aan de consument kunnen doorberekenen. De inflatie in de VS is sinds de invoering van de heffingen relatief laag gebleven. Dit wekt de indruk dat bedrijven de heffingen met hun winstmarges hebben verrekend.

Maar dit is moeilijk aan te tonen, aangezien de heffingen vooral betrekking hebben op halffabricaten die in productieprocessen worden aangewend en in kapitaalgoederen worden gebruikt. Slechts 25% van de importheffingen wordt op consumptiegoederen geheven. Hoewel de Amerikaanse invoer uit China is gedaald, was het voor de Amerikaanse importeurs in veel gevallen moeilijk om alternatieven te vinden, omdat de meeste van de ingevoerde producten zeer gespecialiseerde producten zijn.

Amerikaanse bedrijven verhogen prijzen, consument betaalt

Amerikaanse bedrijven klagen nu over hogere kosten. De CEO van autofabrikant Ford zei bijvoorbeeld dat de importheffingen op staal een extra $1 miljard aan kosten zouden veroorzaken. En dit is ondanks het feit dat Ford een groot deel van zijn benodigde metaal van binnenlandse producenten betrekt. Wat er gebeurd lijkt te zijn, is dat binnenlandse leveranciers hun prijzen hebben verhoogd omdat de invoerheffingen het concurrentievermogen van de Chinese leveranciers hebben verzwakt. Zij hebben hun prijzen niet verlaagd. In het algemeen rekenen de bedrijven deze hogere kosten door aan de consument.

Als de VS de resterende $325 miljard aan invoer uit China zou belasten, dan zouden de Amerikaanse huishoudens nog meer worden getroffen, vooral omdat consumptiegoederen dan een groter deel voor hun rekening nemen. Met de presidentsverkiezingen die in 2020 snel naderen, zal Trump willen voorkomen dat de Amerikaanse consument door de invoerheffingen wordt getroffen.

Daarom verwacht Wade aan het eind van dit jaar een handelsakkoord en het terugdraaien van een aantal van de recente tariefverhogingen. De inflatie zal op korte termijn hoger zijn en de economische groei iets zwakker. Het gevaar is dat de handelsspanningen en -volatiliteit zullen toenemen voordat een akkoord wordt bereikt, waardoor de groei en de inflatie zwaarder geraakt zullen worden.

Lees meer in het artikel ‘Who will pay as US-China trade wars intensify?’ van Keith Wade, hoofdeconoom Schroders.