Rogoff: “Opkomende markten moeten goud kopen”

Centrale banken van opkomende markten moeten meer goud kopen, dat schrijft econoom Kenneth Rogoff in een nieuw opiniestuk voor Project-Syndicate. Hij is ervan overtuigd dat het internationale financiële systeem beter zal functioneren als deze landen meer edelmetaal aan hun reserves toevoegen.

Zijn column is er eentje om in te lijsten, dus we hebben deze geheel voor u vertaald…

“Opkomende economieën zouden een aanzienlijk deel van de honderden miljarden aan valutareserves die ze nu hebben moeten omzetten in goud. Zelfs als ze maar 10% van hun reserves in goud stoppen komen ze nog niet in de buurt bij veel rijke Westerse landen, die 60 tot 70 procent van hun (weliswaar kleinere) reserves in goud bewaren.

Een lange tijd waren de rijke landen van mening dat het in het belang van iedereen was om goud te demonetiseren. We hebben nog steeds grote goudreserves, maar dat is een overblijfsel uit de goudstandaard van voor de Tweede Wereldoorlog, toen centrale banken nog een grote goudreserve nodig hadden.

In 1999 zagen Europese centrale banken geen reden om zoveel goud aan te houden en sloten zij een overeenkomst om hun voorraad op een ordelijke wijze af te bouwen. De verkoop van goud was toen nog te verantwoorden voor de meeste deelnemende landen, want de werkelijke dekking voor hun schulden was dat ze op dat moment de ruimte hadden om de belastingen te verhogen en dat er sprake was van een politieke stabiliteit. Het 1999 pact werd periodiek herzien, maar sinds de laatste herziening in 2014 hebben de meeste rijke landen een lange pauze ingelast. Velen hebben nog steeds een extreem grote goudreserve.

Opkomende markten bleven goud kopen, maar in een slakkengang in vergelijking met hun vraatzuchte honger voor Amerikaanse staatsobligaties en obligaties van andere rijke landen. In maart 2016 had China slechts 2% van haar reserves in goud, zat India op een aandeel van 5% en was Rusland de enige grote opkomende economie die haar goudreserve significant wist uit te breiden tot bijna 15% van de reserves.

Opkomende markten houden reserves aan omdat ze niet de luxe hebben om zich uit een financiële crisis of een obligatiecrisis te inflateren. Simpel gezegd, zij leven in een wereld waarin een groot gedeelte van de internationale schulden – en een nog groter aandeel van de wereldhandel – wordt uitgedrukt in een harde munt. Daarom houden ze reserves van deze valuta aan als bescherming tegen fiscale en financiële rampspoed. Het zou in principe beter zijn als deze opkomende economieën op een of andere manier hun reserves konden samenvoegen, mogelijk via een faciliteit van het IMF, maar het vertrouwen om een dergelijk systeem te laten werken is er simpelweg nog niet.

Waarom zou het systeem beter werken met een groter aandeel van de goudreserves? Het probleem met de huidige situatie is dat de opkomende markten als groep concurreren voor staatsobligaties van de rijke landen, waarmee ze de rente die ze over deze obligaties ontvangen verder omlaag drukken. Met een rente die vast zit op bijna nul procent kunnen de prijzen van deze obligaties niet veel verder meer dalen dan nu het geval is, terwijl het aanbod van staatsobligaties van de ontwikkelde landen beperkt wordt door hun capaciteit om belastingen te innen.

Goud – dat weliswaar beperkt is aanbod – heeft dit probleem niet, omdat er geen limiet is op de goudprijs. Daar komt bij dat het goed te onderbouwen is dat goud een reserve is met een extreem laag risico en een rendement dat vergelijkbaar is met kortlopende staatsobligaties. en omdat goud een zeer liquide bezit is – een essentiële eigenschap voor een reserve – kunnen centrale banken zich permitteren verder te kijken dan de volatiliteit van de goudprijs op de korte termijn en zich richten op de rendementen op de langere termijn.

Het is waar dat goud geen rente oplevert en dat er kosten gemoeid zijn met de opslag van goud. Maar deze kosten kunnen relatief efficiënt beperkt worden, door het goud indien nodig in het buitenland op te slaan (veel centrale banken hebben goud bij de Federal Reserve in New York liggen). Ook kan de goudprijs over de langere termijn stijgen. Om deze reden kan het systeem als geheel nooit een tekort aan monetair goud hebben.

Ik wil niet de indruk wekken dat opkomende markten met een verschuiving van de reserves richting goud op een of andere manier de ontwikkelde economieën benadelen. Immers, de huidige situatie is dat de ontwikkelde landen nog steeds aanzienlijk meer goud hebben dan de opkomende markten. Wanneer zij systematisch hun reserves richting goud verschuiven zullen zij de prijs van goud doen stijgen. Maar dat is geen systematisch probleem, omdat een stijging van de goudprijs de kloof kan dichten tussen vraag en aanbod van veilige havens die ontstaan is doordat de rente naar een bodemniveau verlaagd is.

Er is nooit een goede reden geweest voor opkomende markten om goud volledig te demonetiseren. En die reden is er ook nu niet.”

Over Kenneth Rogoff

Kenneth Rogoff is hoogleraar economie aan de universiteit van Harvard. Van 2001 tot en met 2003 was hij ook hoofdeconoom van het IMF en in 2011 won hij de Deutsche Bank prijs voor Financiële Economie. Hij publiceerde samen met Carmen M. Reinhart de bestseller ‘This Time is Different: Eight Centuries of Financial Folly‘.