Olie: drie vragen voor 2020

Bron: Jilles van den Beukel

Waar gaat het heen met de olievraag? Waar gaat het heen met de olieprijs? Hoe aantrekkelijk is het nog om in olie te investeren?

1. Waar gaat het heen met de olievraag?

Alle publiciteit en enthousiasme over de energietransitie kan soms het beeld creëren dat we al een eind op weg zijn. Niets is minder waar. Als we kijken naar het wereldwijde energieverbruik dan zijn er drie grote fossiele olifanten in de kamer en zij heten olie, gas en kolen. Die steken met kop en schouders boven alle andere energiebronnen uit.

De vraag naar kolen lijkt nu een plateau te hebben bereikt. In de VS en Europa worden kolen vervangen door gas en duurzame bronnen als zon en wind. In China, het land dat verantwoordelijk was voor de snelle groei van het kolenverbruik tussen 2000 en 2010, is die groei gestopt. Dat komt niet zozeer door zorgen over klimaatverandering maar door langzamere groei van de Chinese economie en zorgen over de enorme luchtverontreiniging in de grote Chinese steden.

Maar op de korte termijn groeit de olievraag gewoon door; elk jaar weer met ongeveer 1 tot 1,5%. Voor 2020 verwacht men ongeveer 1,2%. De energietransitie heeft daarop nog maar weinig invloed. Elektrische auto’s gaan een grote vlucht nemen maar tot nu toe hebben zij de vraag naar olie slechts met ongeveer 0,1% verminderd. De tendens naar grotere en zwaardere auto’s, iets dat een verdere afname van het brandstofverbruik van fossiele auto’s bemoeilijkt, doet het voordeel voorlopig volledig teniet.

Maar het grootste effect heeft de wens van de 6 miljard mensen die in minder ontwikkelde landen wonen om ook een iets comfortabeler leven te leiden; iets dat al snel een hoger energieverbruik met zich meebrengt. Dat zouden wij toch ook willen als we in hun schoenen stonden?

De vraag naar olie zal een plateau bereiken (en enige tijd daarna langzaam maar zeker gaan zakken); de vraag is niet òf, maar wanneer. De noodzaak om iets tegen klimaatverandering te doen maakt dat onvermijdelijk.

Misschien zal dat plateau rond 2030 bereikt worden maar eigenlijk weten we het gewoon niet. Wat wel duidelijk is: de energietransitie zal een zaak van de lange adem zijn. Hoe paradoxaal het ook klinkt: de vraag naar olie (en dat geldt ook voor de vraag naar gas) is wel het laatste waar een olie- en gasbedrijf zich nu zorgen over maakt.

2. Waar gaat het heen met de olieprijs?

Als gevolg van de beschikbaarheid van schalieolie bevindt de olieprijs zich niet alleen op een lager niveau dan in de jaren voor 2014, maar beweegt de prijs zich ook in een relatief nauw interval.

Schalieolie kent een veel kortere cyclus dan conventionele olie. Bij schalieolie zit er niet meer dan pakweg 6 maanden tussen de beslissing om te boren en de productie. Maar die productie uit een nieuwe put zakt ook snel weer in; gemiddeld geeft een put 50 tot 70% van de totale productie in het eerste jaar.

Dat betekent dat de schalieolieproductie relatief snel reageert op veranderingen in de olieprijs. Gaat de olieprijs omhoog, dan ziet men dat binnen enige maanden terug in het aantal actieve boortorens in de VS en enige maanden daarna in de productie.

Daarmee heeft schalieolie, ondanks dat het nog geen 10% van de totale olieproductie in de wereld uitmaakt, een relatief grote invloed op de olieprijs. Het lijkt er op dat die rol van semi swing producer (vrijwel prijsbepalend) blijvend is maar dat er ook een grens zit aan het productievolume tot waaraan Amerikaanse schalieolie kan blijven doorgroeien, althans bij olieprijzen in de buurt van de huidige.

Verdere kostendalingen en technologische vooruitgang worden moeilijker te verwezenlijken en kunnen steeds moeilijker compenseren voor toenemende geologische problemen zoals een toename van de hoeveelheid water en gas die met de olie wordt meegeproduceerd. Financiers en investeerders zijn minder bereid geld te stoppen in een al 10 jaar lang verliesgevende sector.

Ik verwacht voor de olieprijs in 2020 een voortzetting van de trend die we de afgelopen drie jaar hebben gezien: de olieprijs bevindt zich in een relatief nauwe bandbreedte en op de achtergrond zien we een langzaam stijgende trend.

Die langzaam stijgende trend komt door de relatief lage investeringen in nieuwe conventionele olievelden. Een terugkeer naar de 100 dollar per vat van voor 2014 lijkt er echter net zo min in te zitten als een terugkeer naar de 40 dollar per vat uit 2016.

Saoedi-Arabië (en Rusland) wil niet dat de prijs te veel zakt ten opzichte van het huidige niveau. President Trump wil niet dat die te veel stijgt, met de naderende presidentsverkiezingen in het achterhoofd. Beide kunnen grote invloed hebben op de olieprijs – althans op de korte termijn.

3. Hoe aantrekkelijk is het nog om in olie te investeren?

Olie- en gasproducenten hebben het, door de bank genomen, niet goed gedaan het laatste decennium. Hun aandeel in de totale marktwaarde van beurzen nam geleidelijk af en dat werd slechts gedeeltelijk gecompenseerd door een veelal relatief hoog dividend.

In de afgelopen weken schreef Chevron ongeveer 10 miljard af op bezittingen in schalieolie. Een onafhankelijke Britse producent als Tullow verloor na tegenvallend nieuws over een producerend veld in Ghana en een tegenvallende ontdekking in Guyana liefst 70% van de beurswaarde.

Zo gering als de invloed van de energietransitie is op olievraag en olieprijs, zo groot is de invloed op de koersen van de aandelen van oliebedrijven. Daaraan zijn gevaren verbonden maar ook kansen.

Een aantal grote investeerders, zoals Warren Buffett, keerde het afgelopen jaar weer terug in de olie- en gassector. Hun redenering is dat bij de huidige lage waarderingen, en een energietransitie die een lange tijd gaat duren, deze sector weer aantrekkelijk is.

Grote oliebedrijven als Shell maken tenslotte in de huidige wereld, met een olieprijs van rond de 60 dollar per vat, een winst die niet veel onderdoet voor die van 5 tot 10 jaar geleden, toen de olieprijs nog boven de 100 dollar per vat lag. Kostenbesparingen hebben geleid tot een substantiële verlaging van de break-evenkosten.

Die lagere kosten zijn goed nieuws voor de grote olieproducenten als Shell of Total. Zij zijn daarmee als sector aantrekkelijker dan dienstverlenende bedrijven in de olie- en gassector.

Die laatste sector lijkt vooralsnog met een blijvend lager activiteitenniveau te kampen en een onvermogen om hogere prijzen voor de diensten te vragen. Voor een enkele deelsector, zoals het bouwen van FPSO’s voor het produceren van deepwater-olie (denk aan SBM offshore), hoeft dat niet te gelden.

Dat betekent niet dat het investeren in oliebedrijven zonder risico is. Een rechter die een internationaal verdrag zo weet te interpreteren dat hij onze regering kan dwingen aan een bepaalde ambitie voor nationale emissiewaarden van broeikasgassen te laten voldoen, vindt misschien ook een manier om een olieproducent te laten opdraaien voor kosten gerelateerd aan klimaatverandering.

Wat men daar ook van denkt: de constatering moet zijn dat de gunfactor voor de olie- en gasindustrie in een groot deel van de ontwikkelde wereld nu snel afneemt.

Een gezond 2020 voor een ieder die dit leest!